Natuurtechnisch maaibeheer wordt hoofdzakelijk gevoerd op kwetsbare terreinen. De meestal vochtige terreinen herbergen bijzondere plantengemeenschappen of potenties in die zin, die enkel door éénjaarlijks of meerjaarlijks maaibeheer kunnen behouden worden. Afhankelijk van de kwetsbaarheid van het terrein, kunnen we verscheidene machines inzetten om natuurtechnisch maaibeheer uit te voeren.
Belangrijkste aandachtspunt inzake onze materiaalkeuze is de betrachting om bodemverdichting en bodemverstoring, welke beide prioriteit hebben bij natuurbeheer en natuurontwikkeling,en tot een minimum te beperken.
Bodemverdichting treedt op door met te zware machines een terrein te betreden. De bodem zal sporen vertonen en wordt plaatselijk zeer compact, waardoor planten meer moeite hebben zich er te (blijven) vestigen.
Door een slechte doorluchting wordt niet alleen de plantengroei, maar ook de ontwikkeling van het overige bodemleven geremd. Enkele plantensoorten die zich kunnen handhaven op sterk verdichte plaatsen, zijn Pitrus, Zilverschoon en Grote weegbree.
Onder bodemverstoring bedoelen we het omwoelen of beschadigen van de toplaag van het terrein, de eigenlijke vegetatie of de zode.
lndien met zware machines, uitgerust op conventionele tractorbanden, gemaaid wordt, treedt een aanzienlijke bodemverstoring op.
De grotere "kammen" op tractorbanden, bedoeld om een grotere weerstand op het terrein te kunnen uitoefenen, beschadigen de vegetatiemat aanzienlijk. Bijkomend nadeel is dat door bet omwoelen van de toplaag meer zuurstof tussen de gronddelen komt. Dit kan leiden tot mineralisatie (versneld vrijkomen van veel voedingsstoffen in de bodem) waardoor stikstofminnende planten snel uitbreiding kunnen nemen. Laat het nu net deze stikstofminnende planten zijn die door natuurtechnisch maaibeheer dienen teruggedrongen te worden.
Tenslotte kunnen we ook chopperen met een trekker in combinatie met onze choppermachine. Chopperen is een activiteit welke zich situeert tussen maaien en plaggen. Het eindresultaat is een gemaaid terrein waarbij echter ook grote delen van de humuslaag mee verwijderd zijn. Op beperkte plaatsen is de bodem dan ook zichtbaar.


